In kaart brengen van persoonlijkheidsstoornissen

Diagnostiek van persoonlijkheidsstoornissen in de ouderenpsychiatrie is niet eenvoudig. Meerdere gegevens uit verschillende informatiebronnen zijn nodig om tot een goede diagnose te komen. Gedragsobservatie, een inventarisatie van aard en ernst van de actuele psychische klachten en het uitvoerig in kaart brengen van de levensloop van de patiënt zijn hiervoor nodig. Deze informatie wordt zowel bij patiënt als bij informanten (partner, kinderen, broers, zussen) verzameld. Informatie over eerdere behandelingen kan ook zeer bruikbaar zijn. Wel is het bij ouderen vaak moeilijk om informatie uit de kinder- en adolescententijd te achterhalen of te verifiëren.

Persoonlijkheidsvragenlijsten-, interviews en meetinstrumenten worden ook gebruikt bij de diagnostiek. Op dit moment zijn slechts twee meetinstrumenten specifiek ontwikkeld voor ouderen. Dit is de Gerontologische Persoonlijkheidsstoornissen Schaal (GPS; van Alphen & Engelen, 2018) – een kort screeningsinstrument – en de Hetero-Anamnestische Persoonlijkheidsvragenlijst (HAP) (Barendse & Thissen, 2013), een instrument te gebruikten bij informanten van patiënt. Tenslotte is een belangrijk aangrijpingspunt in de behandeling een sterkte-zwakteanalyse van de oudere als persoon te maken. Dit is onder meer noodzakelijk om een inschatting te kunnen maken welke behandeling is aangewezen.