Persoonlijk verhaal

Mici en Jeannette

Familie heeft een positief effect op de kwaliteit van zorg, zo blijkt uit onderzoek. Logisch: familie is een constante factor, terwijl hulpverleners komen en gaan. Met het project FABuleus wil Mondriaan de band tussen hulpverleners en familie versterken. ‘Hulpverleners zijn ook iemands naaste.’

Mici en Jeannette

Bij Mondriaan staat familiebeleid sinds een aantal jaren hoog op de agenda, maar de praktische vertaling daarvan wordt nog te weinig gezien. Het project FABuleus moet hier verandering in brengen. De naam is al veelbelovend: FAB staat voor familie als bondgenoot. Het idee erachter is dat hulpverleners hun voordeel kunnen doen met de kennis en ervaringen van familie van cliënten. Hoe? Dat leren ze van FABuleus-trainers. Dit zijn familie- en cliënt- ervaringsdeskundigen en professionals in de ggz die daartoe een speciale opleiding hebben gevolgd. Jeannette (moeder van twee zieke zoons) en Mici (professional) zijn twee van hen.

Waarom is een project als FABuleus belangrijk?
Jeannette: ‘Het is belangrijk dat hulpverleners beseffen dat een diagnose niet alleen de cliënt raakt. De impact op familieleden is gigantisch. Je krijgt er ongevraagd allemaal taken en rollen bij. Je wordt buffer, crisismanager, dokter en ga zo maar door. Wanneer de hulpverlener in beeld komst start die op nul, terwijl de familie een karrevracht aan kennis en ervaring uit het verleden van de cliënt meezeult. Daar kunnen anderen hun voordeel mee doen.’

Kun je daar een voorbeeld van geven?
Jeannette: ‘Zeker. Onze oudste zoon is 36 en hij heeft een periode alleen Duits gesproken. Ze dachten bij de instelling waar hij toen in behandeling was echt dat hij een Duitser was. Door de familie te betrekken ontdekte de hulpverlener het ware verhaal.’

Dus het gaat vooral om kennis delen?
Mici: ‘Niet alleen. Je kunt een terugval voorkomen door als hulpverlener te investeren in een goed contact tussen cliënt en familie. Het is meestal de familie die iemand na een opname weer opvangt. Daar vindt de cliënt idealiter onvoorwaardelijke liefde en willen mensen voor hem zorgen. Jeannette bijvoorbeeld coördineert in de behandeling van haar zoon bijna alles.’ Jeannette: ‘Hierdoor heb ik in de loop der jaren een netwerk om hem heen kunnen bouwen van mensen die mijn zoon in de gaten houden. De hulpverlener (die geprobeerd heeft contact te maken), de buurman, woningbouwvereniging en de politie. Als er iets was gebeurd hoorde ik het via dit kringetje mensen. Dat gaf mij rust! Inmiddels is het me zelf gelukt om contact met mijn zoon te krijgen.’ 

Jullie geven hierover trainingen aan hulpverleners. Hoe reageren die?
Mici: ‘Heel positief; het was een eyeopener. We hebben twee teams getraind: hulpverleners die cliënten begeleiden in beschermde woonvormen. Een familie-, of cliënt-ervaringsdeskundige vertelt dan zijn/haar verhaal en dat komt wel binnen hoor.’
Jeannette: ‘Ja, dat is best heftig. Het is echter heel mooi om te zien wat het bij de deelnemers losmaakt. Ze realiseren zich opeens dat ze zelf ook niet alleen professionals zijn, maar iemands naaste en familielid. Dat inzicht kan hen helpen bij hun moeilijke werk.’

Hebben jullie praktische tips voor hulpverleners?
Mici: ‘Zeker. Wanneer iemand bij Mondriaan met een psychose wordt opgenomen, vragen wij hem of hij wil dat we familie informeren. Die vraag wordt later, als het wat beter gaat, niet meer herhaald. Het zou goed zijn als dat wel gebeurde. Onder invloed van de behandeling verandert het ziektebeeld immers en daarmee ook de behoeftes van cliënten. Op een later moment is het misschien wel mogelijk familie te betrekken.’

Iedereen trainen dus en dan wordt familie beter betrokken? 
Mici: ‘Het zal tijd kosten; veranderingen kosten jaren. Wat helpt is wetenschappelijk onderzoek dat aantoont dat de betrokkenheid van familie goed is. Daaruit blijkt dat cliënten hun medicatie trouwer innemen wanneer familie betrokken is en dat wanneer we allemaal een oogje in het zeil houden escalaties kunnen worden voorkomen. Deze training ondersteunt deze ontwikkeling enorm.’