Persoonlijk verhaal

Peter Winnen

Oud-profwielrenner Peter Winnen: “Terugblikkend zie ik dagen waarvan ik nu denk: daar moet je eigenlijk knettergek voor zijn, zo zwaar.”

Peter Winnen, fotograaf Jeroen Mantel

Heeft u zelf ervaring met de psychiatrie?

“Ik heb van dichtbij wel dingen gezien en meegemaakt. Een familielid lijdt aan manische depressiviteit; dat was op zeker moment een behoorlijk zwaar traject. Niet alleen voor haarzelf, maar ook voor haar omgeving. De scheidslijn tussen ziekte en gezondheid is dun en loopt niet recht, zo weet ik. Dat heb ik ook tijdens mijn carrière als topsporter gemerkt. Je moet toch een draadje los hebben om in die wielerwereld te stappen. Als je jong bent heb je dat nog niet zo in de gaten, dan leef je met de dag. Maar terugblikkend zie ik dagen waarvan ik nu denk: daar moet je eigenlijk knettergek voor zijn, zo zwaar. Eigenlijk was het heel vaak onverantwoord wat we deden; zowel in fysiek als mentaal opzicht. Een rationele geest zou stoppen, maar als je eenmaal in die molen zit ga je door; je hebt ambities, een contract. Profwielrennen is een extreme sport die je alleen maar op niveau kunt uitoefenen als je oogkleppen op hebt. Die staat van waanzin is een voorwaarde.”

Voor topsport moet je toch juist mentaal heel sterk zijn?

“Ja, maar ik heb het idee – toen ook al hoor – dat het evenwicht dat je als topsporter nodig hebt verschrikkelijk broos is. Je moet over een blakende gezondheid beschikken en mentaal stabiel zijn. Ondertussen kom je voortdurend in situaties terecht waarin de fysieke gezondheid ondermijnd wordt. Als je ploeg wint is de pijn wel te dragen, maar bij verlies krijg je ook nog eens een mentale klap. Dan zou je bijna aan de pillen willen.

Weet je dat heel veel profrijders na hun carrière in een zwart gat vallen? Echtscheidingen zijn aan de orde van de dag en is bijna het minste wat je kan overkomen. Een flink aantal ex-profs zoekt psychische hulp, sommige komen in verslavingsklinieken terecht of plegen zelfs zelfmoord. Dan blijkt dat er eigenlijk teveel van hen is gevraagd; dat de gekte eruit bestond dat de sporter al die pijn en teleurstellingen is blijven verdragen. Ik ken echt veel gevallen waarbij het zo is gegaan.“

En toen u stopte?

“Het eerste jaar na mijn profcarrière was alsof ik cold turkey ging. Ik ben er met een blessure uitgestapt, maar heb me een jaar lang doodziek gevoeld met een enorm gevoel van onbehagen. Het wielrennen is in principe een heel ongecompliceerde wereld: het gaat er alleen maar om zo snel mogelijk van A naar B te rijden. Maar dan stop je en blijkt het echte leven wel gecompliceerd te zijn. Dat is voor topsporters –toch één-dimensionaal soort mensen – heel moeilijk. Ik heb zelf altijd gedacht dat ik ondanks mijn werk oog voor de wereld had. Met terugwerkende kracht zag ik dat dit niet het geval was. Dat vond ik een nare ontdekking. Al met al was het geen gemakkelijke tijd, maar hulp heb ik niet gezocht. Gelukkig ontdekte ik op tijd dat ik nog andere interesses had om dat zwarte gat mee te vullen.”

U komt uit Venray, een stad met een bekende psychiatrische kliniek.

“Ja, ik ken de grappen wel die daarover werden gemaakt. In mijn jeugd zagen we de patiënten ook in het dorp, al dan niet onder begeleiding. Niemand keek ervan op, maar het was: wij en zij. En zo is het nog steeds; van integratie is geen sprake.

Ik hoorde laatst op de autoradio een programma over een Belgische gemeente met een ggz-instelling waar de integratie wel is geslaagd. Daar is het niet ongebruikelijk dat patiënten bij particulieren verblijven. Kijk, dat vind ik nou mooi.”